In mijn krant las ik in een interview met Jonah Falke:
Die overgave aan de Almachtige, of aan het lot, of hoe je het maar noemen wilt, geeft rust en is een vorm van vrijheid.
Ik werd nieuwsgierig. Wat is dit voor een gast die dat zegt? Want inmiddels begreep ik: deze jongen is keihard ongelovig. Of toch niet?
Nou zit ik een leesclubje, op het eiland waar ik dominee ben. Deze heren zochten eigenlijk een moslim. Maar die was niet zo makkelijk te vinden. Toen werd ik gevraagd.
De meesten van deze mannenbroeders hebben een goed protestantse achtergrond, maar zijn inmiddels van hun geloof gevallen. En zoals je misschien weet: dat gereformeerde, daar kom je nooit echt meer vanaf.
Iemand zei, laten we dat boek van Jonah Falke, De Bible Belt, lezen. Zo gezegd, zo gedaan.
Jonah. Mooie Bijbelse voornaam. Hij blijkt een verre nazaat van die bekende Duitse sokkenbreiers, de firma Falke. Van de arme tak, dat wel. En daar heeft ie ook een boek over geschreven, De geschiedenis van mijn sok.
Jonah is overtuigd ongelovig. Atheïstisch grootgebracht. Noemt zich agnost. En ondertussen is hij toch op zoek. Maar naar wat? Dat weet hij zelf eigenlijk ook niet goed. Laten we het voor nu maar ‘zingeving’ noemen. Hij is een ‘zinzoeker’. Hij is schrijver en journalist, en verdiepte zich een jaar lang in het orthodox-protestantse geloof. Hij sprak kerkgangers, en voorgangers. Logeerde ook bij hen, om zo veel mogelijk gevoel te krijgen voor de hoogte, breedte en diepte van hun geloof – hij wilde het van heel dichtbij ervaren.
Je voelt het misschien al aankomen, eigenlijk bevalt het hem wel, die zwarte kousen. Wat blijkt? Hij voelt hij zich uiteindelijk het meest op zijn gemak bij de meest orthodoxe dominee, Anthonie Kort. Hij heeft een vrij rücksichtlos geloof. Je weet wat je aan hem hebt. Twijfel kent hij niet – louter rotsvaste overtuigingen. Precies waar de auteur, deze verloren ziel, naar lijkt te verlangen. Houvast, in een losgeslagen wereld.
En dan moet Jonah Falke ineens aan Blaise Pascal denken. Dat is een 17e eeuwse Franse verlichtingsdenker, en die schreef dit:
Als ik besef hoe blind en ellendig de mens is, wanneer ik heel het zwijgende heelal aanschouw en zie hoe de mens zonder inzicht als een verdoolde in deze uithoek van het universum aan zichzelf is overgelaten, zonder te weten wie hem daar heeft neergezet, wat hij er komt doen, wat er van hem zal worden als hij sterft, zonder in staat te zijn ook maar iets te weten, dan bevangt me een gevoel van ontzetting.’
Het is een bekende passage uit de Pensées (Gedachten) van deze Franse filosoof, ook wiskundige en natuurkundige.
(Funfact: De computertaal Pascal is naar hem vernoemd.)
Dit citaat van Blaisse Pascal vat zijn kijk op de menselijke toestand, en de bijbehorende existentiële angst, mooi samen: de nietigheid van de mens in een oneindig universum; en het onvermogen van de rede om de diepste levensvragen te beantwoorden.
(Nog een aardig weetje: Gedachten lag op het nachtkastje van Toon Hermans.)
Deze beschouwing had geschreven kunnen zijn door Jean-Paul Sartre, Simone de Beauvoir, of Albert Camus, Franse existentialisten in de jaren ’50. U weet wel, die Parijse studenten en kunstenaars in hun zwarte coltruien, in de café’s van Saint-Germain-des-Prés.
Hun kijk op het leven, heel kort door de bocht: Levend in een koud en zinloos heelal, zijn we zonder enig doel op deze aarde geworpen… Lekker ben je!
Ja, die beleving gaat gepaard met een gevoel van ontzetting: Wat doe ik hier?! Waar kom ik vandaan? Waarnaar ga ik naar toe? Of deze Rotjeknor-variant:
‘Wie ben ik / wat moet ik / waar ga ik naartoe? / Ben ik de shag / of ben ik vloe?
Het is een worsteling zo oud als de mensheid. De psalmdichters zaten ook al met die onbegrijpelijke leegte. We hebben er die troostrijke Psalm 91 te danken. Over een plek om te schuilen – beschermd tegen de verschrikkingen van het duister. De HEER is er voor een ieder die zich belaagd, bedreigd en benard voelt.
Psalm 91 (NBV51)
1Wie in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten,
vernacht in de schaduw des Almachtigen.
2Ik zeg tot de Here: Mijn toevlucht en mijn vesting,
mijn God, op wie ik vertrouw.
3Want Hij is het, die u redt van de strik des vogelvangers,
van de verderfelijke pest.
4Met zijn vlerken beschermt Hij u,
en onder zijn vleugelen vindt gij een toevlucht;
zijn trouw is schild en pantser.
5Gij hebt niet te vrezen voor de verschrikking van de nacht,
voor de pijl, die des daags vliegt;
6voor de pest, die in het duister rondwaart,
voor het verderf, dat op de middag vernielt.
7Al vallen er duizend aan uw zijde,
en tienduizend aan uw rechterhand,
tot u zal het niet genaken;
8slechts zult gij het met uw ogen aanschouwen,
en de vergelding aan de goddelozen zien.
9Want Gij, o Here, zijt mijn toevlucht.
Dat is het Oude Testament. Best zwaar en donker. We verlangen naar het licht. Naar verlossing. Een nieuwe hemel, en een nieuwe aarde. Waar blijft al dat moois nou toch?
Dat vinden we in het Nieuwe Testament. En daar schetst de apostel Paulus een paradoxaal beeld van de mens. Een mens die niets heeft, en toch alles bezit. De gelovige mens, wel te verstaan. Dienaar van God, zoals Paulus zichzelf noemt. In zijn tweede brief aan de nieuwe gelovigen in Korinthe schrijft de apostel:
2 Korintiërs 6:1, 9b-10 (Herziene Statenvertaling, HSV)
Maar in alles bewijzen wij onszelf als dienaars van God (…)
als onbekenden en toch bekenden;
als stervenden, en zie, wij leven;
als bestraft en toch niet gedood;
als bedroefden, maar toch steeds blij;
als armen, maar die toch velen rijk maken;
als mensen die niets hebben en toch alles bezitten.
Jonah Falke hoort dat van een prediker, en schrijft daarover in De Bible Belt (p264):
De laatste versregels ontroeren me, omdat ik meen ze te begrijpen in al hun vaagheid. Ze vertolken een vermoeden dat al lang sluimert, als kolen die niet branden maar gloeien. Het is zoals literatuur of muziek een stem kunnen geven aan iets onbestemds, aan hoe het is om mens te zijn, tussen alle andere mensen, in een wereld die voor de één al miljoenen jaren oud is en voor de ander in een week werd geschapen. Een mens die altijd als onbekende bekende leeft, als stervende die niet gedood is, als bedroefde maar blij als een arme die anderen rijk kan maken, een mens die niets heeft en soms toch alles lijkt te bezitten. (…) Een fluisterende stem die je misschien alleen kunt horen als je ‘de rede' of ‘het verstand’ verdooft, uitschakelt.
Het is een hoogst modern klinkend antwoord van de apostel Paulus op alle verwarring en verbijstering over ons onbegrijpelijke leven – toen, en nu. Leven waar we nooit om gevraagd hebben – waarin we zomaar terecht zijn gekomen. ‘Geworpen’ in ‘een zwijgend heelal’, om het existentialistisch te zeggen.
De clou zit ‘m in het –al is het maar voor even– kunnen uitzetten, doen verstommen van je alsmaar voortrazende gedachten; en te luisteren naar ‘een fluisterende stem’, die je misschien alleen kunt horen “als je ‘de rede' of ‘het verstand’ verdooft, uitschakelt” (en nou eens niet met ‘Drank & Drugs’).
In die stilte kan ruimte ontstaan, en valt iets anders te ervaren. Een ruimte waarin ook ongelovigen ontroerd kunnen raken. In die ruimte is plaats voor wonderen: het wonder van het leven ervaren. Kunnen ervaren dát wij leven – een wonder waar we ons, in tegenstelling tot andere dieren, ook bewust van kunnen zijn.
Bewustzijn, met alle existentiële problemen van dien (‘Wie ben ik, wat moet ik, waar ga ik naartoe..?!’) – maar evengoed met de mogelijkheid om ons over het leven te verwonderen. En van de weeromstuit al het geschapene ook te bewonderen. De schepping, geschapen door… Tja, een schepper – de Schepper?
Dan komen we op een terrein waar we het niet meer weten – maar waar we het ook niet hoeven te weten. Waar we mogen twijfelen. Erkennen dat we het gewoon niet weten, omdat we het niet kunnen weten – want hier schieten onze verstandelijke vermogens domweg tekort. En daarmee dan leren leven.
Zoals de Schotse bioloog J. B. S. Haldane (1892–1964) schreef (in: Possible Worlds and Other Essays, 1927):
Ik vermoed dat het universum niet alleen vreemder is dan we denken, maar ook vreemder dan we kunnen denken. Ik vermoed dat er meer dingen in de hemel en op aarde zijn dan men zich in welke filosofie dan ook kan voorstellen of dromen.
Zo bezien, zo beleefd, zo erkend, is de schepping een wonder. En rest ons niets anders dan verwondering, en bewondering.
Ik vraag me wel eens af: zou denken te weten hoe het zit misschien gewoon niet zo slim zijn?
Doen we de schepping (en de Schepper, wie of dat ook wezen mag) niet tekort wanneer we er een al te menselijke verklaring voor hebben? Doen we God niet ongelofelijk tekort als we denken te weten wie Hij is? (Of Zij is? Of Zij zijn?)
Is het niet alleen aanmatigend, maar zelfs ronduit godslasterlijk om te zeggen: God vindt dit, of God zegt dat? Wie denk je wel niet dat je bent? ‘God zelve’?! We weten het gewoon niet. En daar hebben we het mee te doen.
Nog één keer halen we de belevenissen van Jonah Falke erbij. Hij is in gesprek met ds. A.A. Brugge te Gorinchem, en noteert uit diens mond (De Bible Belt, p78):
‘De genade blijft een wonder. Alleen de Heere kan je erbij zetten. Het is geen activiteit van de mens. Het is geen keuze om te gaan geloven. Dat doen ze bij de Remonstranten trouwens wel, die geloven dat de mens de wilsbeschikking heeft om te gaan geloven. Wij [orthodox gereformeerden] belijden dat de Heere in het hart overwint en dan gewillig maakt. Ik was hard, hij was zacht, ik was duisternis, zijn genade geeft licht. Het komt dus van boven.’
Kijk nou, de onorthodoxe Remonstranten komen er ook nog in voor! En nou moet ik het toch even voor die vrijzinnigen opnemen. Want het ligt iets genuanceerder. Of misschien gewoon heel anders. Weer: wie zijn wij, om te weten wat God denkt, of wat God doet?
Kunnen opgaan in de schepping, dat is genade. Je kunnen overgeven aan verwondering, en aan bewondering, dat is genade. In staat zijn liefde te ontvangen, dat is genade. In staat zijn liefde te geven, dat is ook genade.
Dus eens: genade is een wonder. En hoe het werkt: we weten het niet. Gaan we erover? Lijkt me niet. Wat ons overkomt, overkomt ons. Wat er gebeurt, gebeurt. Het allermeeste van wat er gebeurt, en ons overkomt: het ligt buiten onze macht.
Geloven we dat God daarin stuurt, of oordeelt – dat God kieskeurig is? Dat God zegt: ‘Jij wel, maar jij niet’? Dat God naijverig is? Dat God allerlei menselijke gedachten en motieven heeft? Lijdt aan stemmingswisselingen? Hou toch op.
Doen we God niet tekort met onze kleingeestige gedachten? Zijn het niet projecties van onze eigen tekortkomingen? Misschien lacht God zich wel een hoedje, om al onze wijsneuzerij – vooral van dominees en theologen? Of moet ‘Ie gewoon huilen..?!
We weten het niet…. Wat we wél weten is dat we kunnen besluiten om–binnen bijzonder beperkte grenzen!– iets te maken van ons leven.
We kunnen besluiten om aardig te zijn, we kunnen besluiten om verstandig zijn. Natuurlijk, alles weer binnen de ons gegeven, zeer beperkte capaciteiten.
Maar toch, er is ruimte voor eigen beslissingen. En dat is niet altijd even leuk, want dat geeft ook verantwoordelijkheid – voor onze besluiten, en onze daden.
We kunnen dus iets doen, en ja, dat is heel betrekkelijk – maar geef toe: een beetje vriendelijkheid, en een beetje verstand: het zou al heel wat zijn.
En dan, ons zo bewust, kunnen we leven zoals de apostel Paulus beschreef.
We bezitten iets wat niemand ons kan afnemen: de liefde in onze harten. Dat geluk hebben we. Dat is genade. Daar kunnen we dankbaar voor zijn. Die liefde is een geschenk – aan iedereen gelijk (nooit om gevraagd, zomaar ontvangen).
En je hoeft niet bang te zijn dat er ooit tekort aan is. ‘Er is genoeg voor iedereen.’ Die liefde kun je eindeloos uitdelen – kun je inzetten, voor je eigen geluk, en voor het geluk van anderen.
Dan zijn we mensen die niets hebben – en toch alles bezitten.
Overdenking voor Remonstranten Sommelsdijk 1 februari 2026