Christoffel, de Christusdrager
Over dragen, en gedragen worden
Andre Meiresonne
07-10-2025

Alweer jaren geleden stapte ik in Utrecht het Catharijne Convent binnen. Geen directe aanleiding, gewoon benieuwd. 

Daar liep ik aan tegen een enorm houten beeld. Metershoog. Een reus, gebogen, met een grote staf in zijn hand. En op zijn schouders, een kind. Sint Christoffel dus. 

Een paar jaar geleden zag ik op Goeree-Overflakkee de deur van de kerk in Dirksland open staan. Vrouwen waren aan het schoonmaken. Ik mocht best even rondkijken.

En wat ontwaarde ik achter het orgel, boven de uitgang naar de toren? Een enorme wandschildering. Een reus, met een kind op zijn schouders. Sint Christoffel. 

Hè, dacht ik. Protestantser dan hier krijg je het niet. Helemaal witgekalkt. De Beeldenstorm heeft zijn werk gedaan. Maar kijk nou, daarboven. Christoffel.

Bij een restauratie van de NH-kerk, in de jaren zeventig, kwam het fresco tevoorschijn kwam van onder de kalk. Jongens stonden te bikken, en toen…

Plaatjes! Een stripverhaal! Stoppen! Monumentenzorg kwam erbij. Fresco gered. Afijn, de Hervormden in Dirksland kunnen de heilige op de muur verdragen.

Het verhaal van Sint Christoffel heeft niks met al of niet roomsch te maken. Het is het verhaal van de zoektocht van de mens – ons zoeken naar zin in dit leven. 

Er zijn vele versies in omloop. Dat heb je met eeuwenoude verhalen. Ga er maar even voor zitten.

Er was eens… Een reus. Een enorme man. Wel elf of twaalf el groot. Dat is groot. Maar wat had hij eraan? Hij voelde zich vooral anders dan de anderen. 

Reprobus was zijn naam. De verworpene. Zo werd ie genoemd. En zo voelde hij zich ook. Verworpen. Hij deed niet mee. Maar hij wilde wel meedoen. 

Nou wil het geval dat hij nederig van aard was. Wat natuurlijk leuk is. Een nederige reus. Maar die zich ondertussen wel verworpen voelt. Wat moet je dan?

Geboren met dat nederige karakter, kwam hij op het idee om te gaan dienen – van dienst zijn. Maar dan wel graag de hoogste macht. Hij was per slot wel een reus, ja.

Hij ging naar de koning. ‘Kan ik u dienen?’ Een reus in dienst? Daar had de koning wel oren naar. Zo werd Reprobus dienaar van de hoogste aardse macht. 

Maar wat een teleurstelling. Want toen een muzikant aan het hof een liedje zong over de duivel, greep de koning naar zijn oren. ‘Nee, stop daar mee!’

(Ik stel me daar een soort middeleeuwse Mick Jagger bij voor, die heel sardonisch Sympathy for the Devil zingt: ‘Pleased to meet you, hope you guess my name’)

Wat bleek? De koning was bang voor de duivel. De koning was dus toch niet de hoogste macht. De duivel was blijkbaar machtiger!

Nu was de grap dat Reprobus ‘voor de duvel niet bang’ was. Dus zonder te aarzelen vertrok hij naar de duivel en bood hem zijn diensten aan. 

Ook de duivel had daar wel oren naar. Reprobus werd opgenomen in het duister gevolg van de duivel, die zelf geheel in het zwart was.

Maar ook nu, wat een teleurstelling. Want toen ze langs een kruisbeeld reden wist de duivel niet hoe snel hij zich (op z’n bokkenpoten) uit de voeten moest maken.

De duivel bleek bang voor… Christus. Reprobus wist wat hem te doen stond. Hij wilde Christus dienen. Want Christus was machtiger dan de koning, èn de duivel.

Maar waar Christus te vinden? De koning woonde in een paleis. De duivel was een zwarte ridder in een donker bos. Maar Christus? Hoe kom je die op het spoor?

Na lang zoeken ontmoette Reprobus een kluizenaar, die leefde in een hutje op een berg. Net zo nederig als de reus. Wel een stuk kleiner. En heel wijs.

‘Hoe vind ik Christus?’, vroeg Reprobus. ‘Bidden en vasten’, was het antwoord. ‘Daar kan ik niks mee,’ zei de reus. ‘Ik wil iets doen!’ ‘Hmmm,’ zei de kluizenaar. 

Na een nachtje slapen wees de kluizenaar naar de rivier, beneden in het dal. ‘Er is daar geen brug. De stroom is sterk. Er verdrinken mensen. Ga ze helpen.’

Dat was nog eens een loopbaanadvies! Reprobus bedankte de kluizenaar, (beloofde hem te taggen op LinkedIn) en bouwde een hut aan de rivier. Hij werd veerman. 

Van een enorme tak maakte hij een stevige staf. Iedereen nam hij mee – zonder aanzien des persoons. Op zijn rug, door het water, droeg hij ze naar de overkant.

Mensen waren hem dankbaar. En hij voelde zich nuttig, hij was van dienst. Hij kwam tot zijn recht. Hij had zijn hart gevolgd, en zijn levensvervulling gevonden.

Of toch niet helemaal? Want waarom was hij dit gaan doen? Ooit, op advies van de kluizenaar. Op zoek naar Christus. Om de allerhoogste te dienen. Maar waar is Ie?!

Toen, op een nacht. Een kinderstem. ‘Breng me over.’ Reprobus zag niets. Weer: ‘Breng me over.’ Na de derde keer ‘Breng me over’ ontdekte de reus het kind. 

Hij nam het kind op zijn schouder. Vederlicht. Zo begonnen ze de overtocht. Maar het water steeg. Het ging stormen. En het kind werd zwaar. Zwaarder, en zwaarder.

Reprobus, de reus die voor niets of niemand bang was, werd doodsbang. Want het water begon hen te verzwelgen. Met de moed der wanhoop ging hij door…

Steeds dieper gebukt plantte de reus zijn staf op de bodem. En hij voelde dat de rivierbedding hem droeg. En ze bereikten ze de overkant. ‘Wat was je zwaar..!’ hijgde de reus.

‘Alsof ik de hele wereld op m’n schouders had!’ ‘Had je ook!’, zei het kind. Wat?! Dacht de reus. Ze waren bijna verdronken! Maar het kind ging verder:

‘En je hebt niet alleen de wereld gedragen, maar ook de maker ervan. Ik ben Christus. Jij hebt mij gediend. Al die tijd.’ Ongelovig keek de reus naar het kind. 

‘En daarom krijg je ook een nieuwe naam. Je bent niet verworpen. Vanaf nu heet je Christoffel. Jij bent de Christusdrager.’ Nu wist de reus het helemaal niet meer. 

‘En als je me niet gelooft: Plant je staf in de grond. Morgen zal hij bloeien.’ En de volgende ochtend stond voor de hut van de veerman een dadelpalm, in bloei. 

Langzaam maar zeker drong het tot de reus door. Hij droeg de wereld. Hij droeg wie hij zocht. Hij droeg wie hij wilde dienen. Christus. Maar hij had het niet door gehad. 

Hij had Christus naar de overkant gedragen. Ook al dacht hij dat hij verdronk. Maar het was hem gelukt. Omdat hij ondertussen zelf werd gedragen. Door Christus.

Tot zover de legende. Tenminste, zoals dat gata met legendes, een van de vele versie ervan. Mijn versie. Mijn interpretatie.

Christoffel, de Christusdrager, kon zijn last –het kind, de wereld, de schepper ervan– dragen, omdat hij Christus in zich droeg. Hij had Hem al die tijd al bij zich. 

Christoffel kreeg zijn nieuwe naam, zijn staf bloeit voortaan, als in Psalm (Lied) 92:

‘Bij de levensbron staan de nederige vromen. Zij bloeien in Gods licht, als palmen opgericht. Zij zullen vruchten dragen, tot in hun grijze dagen.’ (Willem Barnard)

Die vruchten bestaan uit onze Acts of Love. Al die dagelijkse kleine blijken van liefde. Al het dragen, en verdragen.Wanneer gebeurt dat? Die ultieme ervaring van ‘Ik kán niet meer!’. En dat je het wél kon? Met de moed der wanhoop doorstappen? Ondanks die last op je schouders?

Meestal als het echt tegen zit. Er iets onverwachts gebeurt. Een ‘levensgebeurtenis’, zoals dat heet. Of een opstapeling daarvan. U heeft er net misschien over verteld?

Als je denkt: ‘Ik trek dit niet!’ – en je tot je eigen verbazing doorgaat? Maar het ondertussen echt niet meer weet – het ‘Mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?!’

En dan, ‘als de nood het hoogst is’, op dat moment van overgave (nee, het niet opgeven, maar je overgeven), ja dan ‘is de redding nabij’.

Tenminste, dat is mijn ervaring. Ja, dat vraagt vertrouwen. Vertrouwen in het leven. En: Vertrouwen in anderen. Want het zijn meestal anderen die ‘de redding’ vormen.

Blijk je zomaar te worden gedragen, vaak door mensen waarvan je het niet had verwacht, die je soms niet eens kent. Dat is de vorm die Christus dan aanneemt.

Christus is niets meer of minder dan de liefde die wij allemaal in ons dragen. Die liefde vormt de bedding van ons leven, die liefde is de bodem onder ons bestaan. 

Liefde die ons allemaal is gegeven. Liefde waarmee we het leven aan kunnen. Liefde waarmee het leven kunnen dragen, èn een ander kunnen dragen. Net als Christoffel.

Dan gebeurt het wonder. Draag een ander, en je wordt zelf ook gedragen. Geloof in liefde, en je kunt elke last dragen. Omdat je zelf wordt gedragen.