Geloven in Jezus?
Of geloven... Als Jezus?
Andre Meiresonne
07-10-2025

Is het nodig om te geloven in Jezus? Is geloven als Jezus niet genoeg? Maar het hele christendom is toch gebouwd op en rond het geloof in Jezus? Door zijn dood aan het kruis heeft Jezus van Nazareth de mensheid toch verlost van alle zonden? Want de erfzonde, die we aan Adam te danken hebben (je weet wel, die verrekte slang en de verboden vrucht?) werd door het zoenoffer van Jezus toch goedgemaakt? En wie voortaan gelooft in Jezus Christus verkrijgt daarmee toch het eeuwig leven?

Laat me je meenemen naar de tijd dat Jezus leefde. Jezus van Nazareth was een rondtrekkend leraar, levend van wat mensen hem schonken. Je had er meer van in die tijd, precies tweeduizend jaar geleden. En Jezus was niet alleen een wijsheidsleraar, hij was ook gebedsgenezer en duiveluitdrijver. Hij kon mensen bevrijden van zowel lichamelijke als geestelijke aandoeningen. Zoals Maria van Magdala – zij had serieuze psychische klachten, maar werd er door Jezus van verlost. Het verhaal wil dat hij mensen zelfs opwekte uit de dood – het dochtertje van Jaïrus, zijn vriend Lazarus. En die verhalen droegen zeker bij aan zijn bekendheid en zijn faam.

Het klonk als de hemel op aarde

Jezus was ervan overtuigd dat er een eindtijd was aangebroken. De wereld, zoals de mensen die kenden, zou vergaan. Het einde der tijden was nabij – en vele anderen geloofden dat met hem (vgl. ’Elke tijd is een eindtijd’, nu ook weer). Maar mensen waren er niet alleen bang voor – ze keken er ook naar uit. Eindelijk verlost van hun dagelijkse ellende, van armoede en onderdrukking. De verlosser die verwacht werd zou alles goed maken – eindelijk gerechtigheid. En steeds meer mensen begonnen te geloven dat Jezus van Nazareth die aangekondige messias was. En dat Koninkrijk van God, waarover hij steeds sprak: het klonk hen toe als de hemel op aarde.

Afijn, toen werd Jezus van Nazareth dus gekruisigd: opgebracht door de Joodse priesters; gemarteld en ter dood gebracht op last van de Romeinse prefect. ‘Koning der Joden’ stond geschreven op het bordje, boven zijn hoofd aan het kruis. Joden voelden zich erdoor beledigd (die nare Jezus: ‘koning'; wie dacht hij wel niet dat hij was?!); Romeinen lachten erom (die rare Jezus: ‘koning’; wie dacht hij wel niet dat hij was?). Maar waarom maakten zowel Joden als Romeinen zich druk om Jezus? Zo druk, dat hij volgens de (Joodse) priester èn de (Romeinse) prefect dood moest?

Jezus’ dood had alles te maken met wat hij te vertellen had. Hij had een a-politieke boodschap... die door volgelingen èn machthebbers politiek werd opgevat. Jezus vertelde de mensen verhalen. Verhalen over het Koninkrijk van God – Gods komende rijk op aarde, waarin alles anders zou worden. Door de vestiging van dat hemelse rijk zou binnenkort een omkering van alle menselijke verhoudingen plaats vinden – de bestaande wereld zou op zijn kop worden gezet. En zowel zijn toehoorders als de autoriteiten namen dat nogal letterlijk, als in: de politieke verhoudingen zullen onderste boven gaan; de materiële werkelijkheid wordt omgekeerd. Maar Jezus sprak over een immateriële werkelijkheid. ‘Mijn koninkrijk is niet van deze wereld’, zoals de evangelist Johannes hem laat zeggen. (Johannes 18:36)

Valt dat serieus te nemen?

Maar wie vertelde dat nou eigenlijk? Een man uit Nazareth, een stadje in Galilea. En waar verkondigde hij dat uiteindelijk? In Judea, in Jeruzalem. Stel je voor, een halfgeschoolde leraar uit een provinciestadje, gelegen in een arme behoudende regio, komt in die enorme tempel van de rijke hoofdstad –temidden van priesters en schriftgeleerden en onder de neus van het militaire gezag– verkondigen dat binnenkort alles anders zal zijn. Valt dat serieus te nemen? Niet voor niets zegt iemand gevat: ‘Uit Nazareth? Kan daar iets goeds vandaan komen?’ (Johannes 1:46)

En kijk naar wat Jezus achter zich aan krijgt: arme vissers, getroebleerde vrouwen; en met wie hij omgaat: hoeren en tollenaars. Mensen uit de marge van de samenleving, mensen zonder netwerk, mensen zonder macht. Mensen die zich niet gehoord en niet gezien voelen – zich zelfs uitgesloten voelen. Mensen ook die maar al te graag willen geloven dat binnenkort alles helemaal anders zal zijn. ‘Kom tot inkeer en hecht geloof aan dit goede nieuws’ was niet aan dovemans oren gericht.

Afijn, de pijnlijke ironie van dit alles is dus dat zowel Jezus’ volgelingen als de autoriteiten zijn boodschap letterlijk namen. Zijn aanhangers zagen in Jezus de aankondigde koning die hen zou verlossen uit hun machteloze positie; zowel de Joodse als de Romeinse autoriteiten zagen een ordeverstoorder die hun religieuze en wereldlijke macht bedreigde. De volgelingen riepen: ‘Hosanna voor de nieuwe koning!’ – waarop de machthebbers besloten dat hij dood moest. Priester en prefect sloten een duivels pact. En al snel klonk uit vele kelen: ‘Kruisig hem!’. Jezus ontregelde – maar was geen revolutionair. Het enige dat Jezus, dag in dag uit, had gezegd was: ‘Let op, geloof me, alles wordt anders’.

In de kern luidde zijn boodschap, over de omkering van al het bestaande: ‘Gelukkig de armen, want voor hen is het Koninkrijk. Gelukkig de treurenden, want zij zullen worden getroost. Gelukkig wie hongeren, want zij zullen worden verzadigd. En gelukkig zijn jullie wanneer ze je uitschelden, vervolgen en van allerlei kwaad betichten. Verheug je en juich, want je zult rijkelijk worden beloond.’ Dat kun je horen als: ‘Er bestaat ook andere werkelijkheid, waarin armoe, ziekte en honger niet zijn wat ze lijken te zijn.’ Jezus klinkt in de oudste geschriften, zoals ze zijn gereconstrueerd (niet door theologen, maar door bijbelwetenschappers) als een onverstoorbare Stoïcijn, een kind van zijn filosofische tijd: Doe wat je kunt. Laat je niet gek maken. Wat heb je nou nodig? Ontstijg de aardse materie. Diep in ieder van ons, waar niemand je kan raken, bevindt zich een andere werkelijkheid.(Vgl. Lucas 9:3 – hoe Jezus zijn leerlingen instrueert: ‘Jullie mogen niets meenemen op je reis. Geen stok, geen tas, geen brood, geen geld en geen extra kleren.’ – zo zagen Stoïcijnen eruit. Vgl. Paulus in 2 Korintiërs 6:10 –‘...we bezitten niets maar toch hebben we alles.’)

‘Yo man, die Jezus was een influencer!’

Laatst sprak ik iemand, die al voor de tweede keer naar de musical Jesus Christ Superstar was geweest. Je weet misschien wel, de grote productie onder regie van Ivo ten Hove, die eerder de musical over David Bowie regisseerde. Hij (de voorzitter van een remonstrantse gemeente) vertelde dat hij er dit keer naar toe was gegaan met zijn kinderen, en vrienden daarvan. Een van hen kende eigenlijk geen enkel bijbelverhaal. Een modern jongmens uit de Randstad, zonder kerk of geloof groot gebracht. Het lijdensverhaal was helemaal nieuw voor hem. En wat zei hij na afloop, diep onder de indruk: ‘Yo man, die Jezus, dat was een influencer!’

Toen Jezus van Nazareth nog rondtrok met zijn volgelingen –terwijl hij het Koninkrijk Gods verkondigde, mensen genas en zelfs opwekte uit de dood– was er nog geen sprake van een verhaal dat hij zelf, ooit, zou opstaan uit de dood. Ook niet dat hij zou sterven voor onze zonden. En ook niet dat hij zou ‘wederkeren’ om over ons te oordelen. Geen verlossing, geen verzoening, niets van dat alles.

Dat geloof is pas jaren na zijn dood ontstaan. Het kreeg vorm in het lijdensverhaal en het opstandingsverhaal, wat door de evangelisten is vastgelegd. Jezus ontwikkelt zich daarin van een gewone sterveling tot niets minder dan een kosmische kracht; aanvankelijk vrij feitelijk verteld door mensen die hem in levende lijve hadden meegemaakt (zoals zijn broer Jacobus, en zijn leerling Petrus), maar steeds grootser (fact free?) door mensen die hem alleen maar kenden ‘van horen zeggen’ (zoals uiteindelijk de bijna mystieke evangelist Johannes); ook kreeg het zich ontwikkelende geloof vorm in brieven van de apostelen, met Paulus voorop – al naar gelang wie ze, en waar ze hen wilden bereiken, en wat ze ermee beoogden.

Hoe zou dat nou toch gegaan kunnen zijn, kort na Jezus’ dood? What happened? De kans is best groot dat de volgelingen van Jezus hun verwarring over zijn kruisdood 'sublimeerden' – ze draaiden hun bittere teleurstelling om in een heilsverwachting: Jezus zou binnenkort in al zijn koninklijke glorie terugkeren en de vernieuwde wereld besturen; daartoe (!) was hij gekruisigd, uit de dood opgestaan, en verschenen – om wie in hem geloofde te redden. ‘Hij ging dood... Maar hij is weer opgestaan, en aan ons verschenen. En hij komt terug, om te oordelen!’ Best een goed verhaal, toch?!

Zo konden ze hun cognitieve dissonantie opheffen

En zo gingen mensen gingen geloven in Jezus. Maar je kunt je afvragen: Wat zou Jezus daarvan gevonden hebben? Waar was dat voor nodig? Natuurlijk, de volgelingen konden met dit verhaal van verlossing en verzoening de tegenstellingen in hun hoofd weer bij elkaar krijgen. Zo konden ze hun cognitieve dissonantie opheffen. De beloofde verlosser is geofferd voor onze zonden, en zo heeft God zich weer met ons verzoend. Ja, je moet er maar opkomen...

Maar... Was het geloof van Jezus al niet mooi genoeg? In de Bergrede waaruit we net lazen is ook het Onzevader opgenomen. Die super korte bede is waarschijnlijk Jezus’ hoogst persoonlijke gebed geweest, waarin hij in een handvol woorden zijn diepste geloof uitdrukt. Geloof dat voor hem bestaat uit vertrouwen – vertrouwen in wat hij noemt Onze Vader. Het is zijn vertrouwen in het leven zelf. Zijn volgelingen wilden dat ook: leren geloven (en bidden) als Jezus.

Zjn volgelingenj zagen aan Jezus wat zijn geloof met hem deed. Hij leefde in het volste vertrouwen. Daar verlangden zij ook naar: vol vertrouwen kunnen leven. Het leven leren vertrouwen. Geloven dat het goed komt – beter, weten dat het leven goed is. (En nu komt ie), met inbegrip van ‘Uw wil geschiede...’ Dus ook al word je gekruisigd: je overgeven aan het leven.

Geloven in het leven. Je overgeven aan het leven

‘Gelukkig zijn de armen, de treurenden en de hongerigen, want voor hen is er het Koninkrijk.’ Het zou al heel wat zijn: geloven als Jezus. Geloven in het leven zelf, in hoe het leven gaat. Je overgeven aan het leven: Doe wat je kunt, en laat je ondertussen niet gek maken. Wat heb je nou nodig? Ontstijg de aardse materie, en vertrouw op een geestelijke werkelijkheid, daar diep van binnen.

De priester en de prefect, ze lijken maar de baas; God is de enige echte eindbaas: ‘Onze vader, die in de hemel zijt, uw naam worde geheiligd, uw koninkrijk kome...’ En het goede nieuws, het allerbeste nieuws, is dat dat Koninkrijk is er al: ‘Het bevindt binnen in u’ (Lucas 17:21). Net als bij Jezus zelf: ‘Ik ben in de Vader, en de Vader is in mij.’ (Johannes 14:11) Jezus geloofde dat God bij hem was – en dat hij bij God was. Jezus geloofde in die goddelijke kracht in zichzelf – in de kracht die hij, daar diep van binnen, kon ervaren. De kracht die hij ‘abba’ noemde, Vader.

Dus geloven als Jezus is geloven in waar Jezus zelf in geloofde: in zichzelf. Jezus geloofde in Jezus. En dat wens ik iedereen toe: geloven in jezelf, in wie je ten diepste bent: een kind van God. Geloven in je eigen goddelijke kern – net zoals Jezus ons heeft voorgedaan. Geloven in ieders goddelijke kern. Geloven –weten!– dat we allemaal, stuk voor stuk, kinderen van God zijn. Dat is de sleutel naar inlevingsvermogen, waar we zo’n behoefte aan hebben. Dat is het voorbeeld dat Jezus gaf. En dan is geloven in Jezus hetzelfde als geloven als Jezus.