Eén ding per dag
Slow in Firenze
Andre Meiresonne
08-10-2020

Die zomer van 1977 waren we 20 en 21. Haar oudere broer kwam terug met verhalen. Firenze is zo mooi! Firenze? Oh, Florence! Ergens in Italië. Verder geen idee. Kleurige foto’s met heel veel oude gebouwen, en pleinen vol beelden. Een rivier met een bebouwde brug.

Drie weken stonden we met een piepklein tentje op de stadscamping van Firenze. Elke dag deden we hetzelfde: we liepen naar beneden, de stad in. De eerste dag kochten we een gids. Ons kostbaarste bezit die dagen. Die zondag begonnen we waar iedereen begint: bij de dom, de doopkapel met de gouden deuren en de klokkentoren. De kerk die we voortaan elke dag zagen op onze afdaling naar de stad – met die koepel die het profiel van de stad bepaalt. We wisten niet wat we zagen. Letterlijk, we hadden nog zoiets gezien. Zo mooi.

Eén ding per dag. En daar hielden we ons aan.

We lieten ons leiden door de gids. Er stond meer dan genoeg in:  om ons te informeren, en om ons over te verbazen. We hadden geen idee waar we terecht waren gekomen. De mooiste stad van Italië? Maar we hadden nog nooit een andere Italiaanse stad gezien – dus geen vergelijk. Met waarschijnlijk de meeste kunstschatten per vierkant meter? Wisten wij veel. Thuis in Nederland hadden we nog nauwelijks een museum van binnen gezien. En gingen we op in een overweldigende beschaving. 

Eén ding per dag. Dat hadden we bedacht. En daar hielden we ons aan. Dag twee de Santa Croce en de buurt eromheen. Eind van de middag de trappen weer op naar de camping. Op de heenweg konden we vanaf de Piazzale Michelangelo aanwijzen waar we heen gingen. Op de terugweg door de cipressen nog even omkijken naar waar we waren geweest. Van bovenaf is Firenze is een bijzonder overzichtelijke stad. 

Elke dag wat nieuws. Een grote, doorlopende verrassing.

Toen was daar Kees. In een tentje vlak bij ons. We kenden Kees van onze studentenvereniging. Hij was al wat ouder, maar toch een jongerejaars. Kees studeerde kunstgeschiedenis in Utrecht – en bleek een geboren docent. We bleven vragen, er kwam geduldig antwoord. Over de drie soorten Griekse zuilen, over het verschil tussen tussen romaans en gotiek, tussen renaissance en barok. Elke avond kunstcollege, zoveel we wilden. En als vakantielectuur kocht ik een engelse pocket met een sociologische studie van het dagelijks leven in de Cinquecenta, het Florence van de veertiende eeuw.

Elke dag wat nieuws. Kerken, musea, paleizen. De Santa Maria del Fiore en de San Marco, de palazzi van de Medici en de Pitti, de Ponte Vecchio en de Boboli tuinen. We vielen van de ene verbazing in de andere – en het hield niet op. Drie dagen deden we over het Uffizi museum, elke dag een verdieping hoger. Van de middeleeuwen via de renaissance naar barok en maniërisme. Schilderijen, beelden en tekeningen die we niet kenden. De Verdrijving uit het paradijs, de Geboorte van Venus, de aankondiging aan Maria. Schilders, beeldhouwers en architecten waar we nog nooit van hadden gehoord. Giotto, Fra Angelico, Massacio. Een grote, doorlopende verrassing.

En na drie weken, na Ghiberti’s bronzen deuren, het terracotta van Luca della Robbia, de ‘andere’ David van Donatello, kwamen we eindelijk, op de allerlaatste dag, na drie weken langs de replica voor het stadhuis te zijn gelopen, bij de ‘echte’ David, van Michelangelo. Stoer en stralend. ‘Het lekkerst voor het laatst bewaren’ hadden we vroeger geleerd. Dat klopt. Drie weken uitgestelde beloning. Het werkt. 

Drie weken elke dag hetzelfde doen. Ik mis het – die focus, die overgave.

Nu terugkijkend: wat me het meest trof was de menselijke waardigheid die uit de David, uit veel van de Florentijnse kunst spreekt. De waarde van een enkele mens – de waardigheid die een individu kan hebben, uitstralen, belichamen. En dat we die waarde allemaal hebben, die waardigheid allemaal bezitten. In Firenze wordt die menselijke waardigheid  zichtbaar – dankzij de verbeelding van al die kunstenaars. Zij en hun opdrachtgevers geloofden in de mens en diens mogelijkheden – onze godgegeven vermogens. Dat geloof hangt daar nog steeds.

Toch, meer dan veertig jaar later begrijp ik een ding niet. Hoe hebben we dit gedaan? Drie weken lang, in diezelfde kleine stad? ’s Morgens naar beneden, ’s avonds weer omhoog?Drie weken kunst, kunst, kunst? Elke dag er helemaal in zakken, er steeds weer in verdwijnen? Ik kan me er niets meer bij voorstellen. Noch van mezelf, noch van een ander. Zelfs nu door corona ons leven zo ongelofelijk vertraagd lijkt, drie weken op dezelfde camping, en elke dag hetzelfde doen: het klinkt way out. En ik realiseer me: Ik mis het – die focus, die overgave… 

Noot – Die zomer was er een speciale tentoonstelling in het Postzegelkabinet. De architect van de koepel van de dom, Filippo Brunelleschi, was vijfhonderd jaar geleden geboren. De affiche van die expositie zagen we achter het raam van een boekhandel hangen. Of we die mochten hebben. ‘Poster of… Broeneleesjieh’ stumperde ik. Begrepen ze niks van. Ik wees hem aan. ‘Ahhh, Brunelleschi!’ Na drie weken leerde ik eindelijk hoe je in het Italiaans de 'sch' voor een klinker uitspreekt: als een 'k'. Toen ik de naam goed kon uitspreken kreeg ik de poster mee. Hangt nog steeds aan de muur.