Een God in het diepst van je gedachten
Geloven op jouw manier
Andre Meiresonne
15-01-2020

Godzijdank zat ik tegen mijn zin op het Christelijk Lyceum. Meneer Petter was daar niet alleen leraar Nederlands, maar ook leraar Godsdienst. Een boeiende combi. Bij de Tachtigers aangekomen krijtte hij in grote witte letters ‘Ik ben een God in het diepst van mijn gedachten’ op het zwarte schoolbord. Het volgende uur ging er een krachtig kruis door. Want: een godslasterlijke tekst van die Willem Kloos! Inmiddels behoort die notie van God in mijn geloof tot de hoogst denkbare lof en prijs. Daar ging wel wat aan vooraf.

Rond mijn twintigste zei ik het geloof vaarwel. De vriendelijke mevrouw van de Gereformeerde Kerk, ik zie haar nog op de stoep staan van mijn studentenhuis. Ze kwam ongevraagd op huisbezoek en kreeg botweg te horen dat ik niets meer van de kerk hoefde. Zo teleurgesteld als ze keek, zo verdrietig ook. Misschien was ik al de zoveelste, het waren per slot de jaren ’70.

Ik maakte een reis zoals wel meer die maken. Hedonistisch in mijn twintiger jaren, materialistisch in mijn dertiger jaren. En toen was daar Doe Maar, ‘Is dit alles, oehoehoehoeh... is dit alles, wat er is?!’  Er moest toch meer zijn dan een hoop lol hebben en ondertussen veel geld verdienen? Mediteren, cursussen, ik zocht me suf, in dit leven en vorige levens – en het enige wat ik vond was nog meer geld en nog meer succes.

Maar gelukkiger werd ik er niet van. Integendeel. En dat hielp. Verveling en chagrijn als medicijn. Daar moest wel een psychiater aan te pas komen. M’n creativiteit zat verstopt. Mijn spelende kind was kwijt. Ik bleek te kunnen schrijven, toen ik het mezelf toestond. Spreken, toen ik het durfde. Maar het bleef zoeken, en ik wist niet waarnaar. En dan kun je lang zoeken.

Tot alles op was. Dat hielp. Dat gun je iedereen. Alle houvast kwijt. Alle buitenkant ook. Wat kun je daarvan opknappen. Tenminste, ik wel. Want toen het geld op was en het succes voorbij, toen de relatie een illusie bleek en het leven uitzichtloos, kwam er eindelijk ruimte voor, ja wie? Mijzelf, wie ik diep van binnen ben. En uit mijn eigen diepte verrees, ja wat? Ik noem het God. Maar niet die uit de kerk van mijn jeugd. Mijn God laat zich niet in een hokje stoppen.

(Deze column verscheen eerder op remonstranten.nl)