Hoe vind je rust?
Nabijheid #2
Andre Meiresonne
15-01-2020

We hebben allemaal behoefte aan aandacht, en moeite om die aan elkaar te geven. Een diepe behoefte om gehoord te worden, ons gezien te voelen. Gekend te zijn. Zoals in het begin van Psalm 139, een van de meest indringende psalmen van Koning David: U kent mij, u doorgrondt mij. Op hoeveel uitvaarten hoor je die niet? Onze behoefte aan aandacht (gezien, gehoord, gekend worden) is weliswaar diep menselijk, maar de vraag is: is er met menselijke aandacht in te voorzien? Of hebben we het hier over aandacht van een andere orde? Aandacht in een laag waar we naar verlangen, waar we wellicht af en toe een glimp van opvangen, waar we misschien vage herinneringen aan hebben? Want heel af en toe gebeurt het, dat je een verbondenheid voelt, een zindering ervaart waarvan je weet: ik kan het niet aanwijzen, ik kan het niet vastpakken, maar het is er wel degelijk – en het doet me goed. Een blik, een gebaar, een aanraking. Een woord, een zin, een verhaal. En je weet: dit telt, dit is wezenlijk. Iets ‘trilde’ tussen jou en een ander. Ik noem dat een goddelijke aanraking. Samen even opgetild boven het aardse gedoe. Licht, liefde, hemels.

Laat me je vertellen over een wonderlijke gebeurtenis, een paar jaar geleden. Ik weet niet eens meer waarom ik het ging doen. Ja, omdat ik het drie jaar daarvoor niet deed, mijn vader werd ziek en overleed. Twee van mijn kinderen hadden het inmiddels gedaan. En ze raadden het mij aan: Echt iets voor jou pap! Inmiddels weet ik, dan moet ik oppassen. En wat heb ik ze vervloekt! Want waar ging het om? Tien dagen Vipassana. Net over de Belgische grens, een tiendaagse stilte-retraite – met zeker honderd mensen, mannen en vrouwen gescheiden. Geen enkele afleiding. Hard core boeddhistisch. Tien dagen mediteren, tien uur per dag in kleermakerszit op een matje. Tien dagen niet praten, geen woord. Tien dagen alleen, tien dagen pijn – in m’n ouwe botten. 

Na tien dagen doodstil kruislings zitten was het klaar – en ik was op. En ik dacht: Was dit het nou? Heb ik hier tien dagen pijn voor zitten lijden? En toen gebeurde het. We mochten weer praten. Iedereen barstte los. En ik wilde stil blijven, de overgang was te groot. Ik ving een blik op van mijn kamergenoot, waar ik tien dagen geen woord –en ook geen blik!– mee gewisseld had. En zijn blik was zo… liefdevol. Beter, zo onvoorwaardelijk. Ik stond helemaal open en zijn blik kwam binnen. De acceptatie in die blik, de aanvaarding die uit zijn ogen sprak. BAM! Of God zelf me even aankeek. En ineens voelde ik: Ik kan er niets aan doen. Een diep opgeborgen jeugdervaring kwam uit het niets naar boven. Tranen met tuiten. En ineens, begreep ik waarom ik me te verantwoordelijk kan voelen, te veel op mijn nek kan nemen. Dat ‘Ik kan er niets aan doen’ ging zich in de maanden erna uitstrekken tot het inzicht: Ik kan niets doen. En achter het ‘Ik kan niets doen’ het besef: Er hoeft niets – Ik hoef niets. Wat een rust.

(Deze blog verscheen eerder op antroposofiemagazine.nl)