Wat hebben we over voor onze ouders?
Een existentieel gesprek is essentieel
Andre Meiresonne
29-12-2017

De verpleeghuisbewoners blijken tevreden, meldt het Sociaal Cultureel Planbureau. Onze ouders woeden beter verzorgd dan we dachten. Maar dan volgt de downer van het rapport: ’Tijd of ruimte om met zorgverleners een gesprek te voeren over wezenlijk zaken – vertrouwelijke kwesties, levensvragen, – is er volgens 30 tot 40 procent van de bewoners niet.’ 

Wat er werkelijk toe doet blijkt niet goed geregeld. We hebben geen tijd voor mensen die willen praten over waar ze echt mee zitten. Kwesties van leven en dood blijven liggen. Begrijpelijk, want zo’n gesprek kost echt veel tijd. En dat kun je ook niet verwachten van iemand die langskomt om je te helpen met je steunkous. 

'Ik ben er van opgeknapt. Zo wil ik nog wel even verder. Kom je nog een keer terug?’ 

Als masterstudent Spiritual Care deed ik een stage geestelijke verzorging. Daarin voerde gesprekken met een tiental ouderen. Meestal duurden die zo’n twee uur. Daarin had ik een wonderlijke ervaring. Ik sprak tweemaal met een zelfstandig levende, heldere vrouw van halverwege de tachtig.  Zij maakte zich grote zorgen. Hardop vroeg ze zich af of zij nog verder wil leven wanneer zij minder mobiel zal zijn en afhankelijk van de zorg van anderen. Zodra zich dat voordoet wil ze euthanasie. Waar haar arts niet aan wil meewerken, want dat is geen uitzichtloos lijden. Waardoor ze zich nog meer zorgen begon te maken en zich heeft gemeld bij de Levenseindekliniek – die haar nu niet kan helpen. Na ons eerste gesprek zei ze in de gang: ’Ik ben er van opgeknapt. Op deze manier wil ik nog wel een paar jaar verder. Kom je nog een keer terug?’ 

In het tweede gesprek vertelde ze: ‘Bij jou kan ik menselijk zijn. Je hebt pijnlijke plekken geraakt en die heb ik lopen uitdenken. Ik heb dingen onder ogen gekregen die ik in de puntjes van mijn schoenen gestopt had. Het is prettig als iemand naar je luistert en je warmte biedt.'  Deze vrouw, met een euthanasieverklaring op zak, voelt zich uitgenodigd om ‘menselijk' te zijn. Zegt dat het niet erg is dat bij haar ‘pijnlijke plekken’ geraakt zijn. Integendeel, ze voelt zich ‘opgeknapt’.

Werkelijk aanwezig zijn is een voorwaarde. Dat betekent mond houden en luisteren.

Ongedeelde aandacht en onvoorwaardelijk acceptatie zijn de sleutels om mensen te bereiken en bij te staan. Daarmee creëer je het vertrouwen dat nodig is om vrijuit te durven spreken. Zo kan een vrije ruimte ontstaan waarin in alle rust de eigen ziel wordt onderzocht. Werkelijk aanwezig zijn is een voorwaarde. Kort gezegd, mond houden en luisteren. Misschien is dat ‘warmte en betrokkenheid’ in de praktijk?

We hebben allemaal behoefte aan aandacht. Maar hoe ouder hoe lastiger de aandacht te krijgen die je nodig hebt. Je omgeving valt weg, je begint over te blijven. Dan kun je je zomaar overbodig gaan voelen. Want wie zit er nog op je te wachten? Voeg daar bij dat veel oudere mensen anderen – en zeker jongeren, bijvoorbeeld je kinderen – liever niet lastig willen vallen (‘Die hebben al genoeg aan hun hoofd’) en je begrijpt dat ouderen sociaal geïsoleerd raken. Eenzaamheid, je afgesloten voelen van je omgeving, is een vorm van lijden. De gedachte aan dat verlossende spuitje zomaar op kan komen, niet alleen bij de oudere, maar ook bij diens omgeving.

Zo lang je leeft wil je gezien en gehoord worden. Je geliefd voelen. 

Iedereen heeft het nodig om er te mogen zijn. We willen ons gezien weten en geliefd voelen. Van kinderen begrijpen we dat. Liefdevolle aandacht is de sleutel in opvoeding en onderwijs. Dat geldt evengoed voor mensen in hun laatste levensjaren. Zo lang je leeft wil je gezien en gehoord worden. Ook al lever je misschien geen grote sociale bijdrage meer en heb je weinig economisch nut (behalve belasting betalen). Omdat je een mens bent.

Aandacht geven kost tijd en dus geld. De vraag is: Wat hebben we over voor onze ouderen? Dat geldt op persoonlijk vlak: welke aandacht kunnen we voor onze eigen ouders opbrengen? En even goed maatschappelijk: welke aandacht voor ouderen willen we structureel verzorgen? Hebben we de politieke bereidheid om het geven van aandacht te organiseren? Dat kan door het opleiden en aanstellen van geestelijk verzorgers. Zijn we met elkaar, wanneer we miljarden extra in fysieke verzorging steken, ook bereid om een fractie van dat bedrag vrij te maken voor het geestelijk welbevinden van onze ouderen?